Boek 2 – Hoofdstuk 3 SAMENVATTING BIJ BOEK 2 – HOOFDSTUK 3

Hoofdstuk 3: Problemen van de Arabische cultuur

btn opener

Tweehonderd jaar na het puritanisme is de mechanistische wereldvisie op haar hoogtepunt. Zij vormt de religie van deze tijd. Elke grote cultuur begint met een reusachtig thema, dat oprijst uit het stedeloze platteland, in de steden met hun kunsten en denkwijzen veelstemmig wordt doorgevoerd en in de wereldsteden in de finale van het materialisme wegsterft. Maar zelfs de laatste akkoorden staan nog strikt in de toonsoort van het geheel. Er bestaan per cultuur vormen van materialisme die niets anders zijn dan de oorspronkelijke mythische vormenrijkdom, maar dan mechanistisch opgevat, met aftrek van al het beleefde en geschouwde. Het zijn allemaal manifestaties van het superioriteitsgevoel van de grootstedelijke geest.

Het faustische materialisme in engere zin, waarin de technische wereldbeschouwing haar voltooiing heeft bereikt, is iets volslagen unieks. De hele wereld als dynamisch systeem, exact, mathematisch van aard, met behulp van experimenten tot de laatste oorzaken bloot te leggen en in getallen te vatten, zodat de mens haar kan beheersen: daarin verschilt deze terugkeer naar de natuur van alle andere. Weten is deugd – dat geloofden ook Confucius, Boeddha en Socrates. Weten is macht – dat heeft alleen binnen de Europees-Amerikanse civilisatie zin. Bij ons is theorie altijd werkhypothese, erop gericht de opgedane kennis ergens voor te gebruiken.

Het materialisme zou niet compleet zijn zonder de behoefte de geestelijke spanning van tijd tot tijd weer van zich af te zetten, zich over te geven aan mythische stemmingen en een of andere cultische handeling te verrichten, om ter verpozing te genieten van de charme die uitgaat van het irrationele, wezensveemde, zonderlinge en als het moet zelfs onnozele. Wat daarop volgt noemt Spengler de tweede religiositeit. Zij verschijnt in alle civilisaties zodra deze tot volledige ontplooiing zijn gekomen. Dit is de noodzakelijke tegenhanger van het caesarisme, de definitieve politieke constitutie van late civilisaties. De tweede religiositeit bevat, alleen anders beleefd en uitgedrukt, weer de bestanddelen van de eerste, echte en vroege religiositeit. Eerst vervaagt het rationalisme, dan komen de vormen van de vroege periode tevoorschijn, en uiteindelijk dringt de hele wereld van de primitieve religie die voor de grote vormen van het vroege geloof was teruggeweken zich weer met kracht op.

Elke verlichting schrijdt voort van een grenzeloos verstandsoptimisme naar een absoluut scepticisme. Daarmee zijn de mogelijkheden van de fysica als het kritisch begrijpen van de wereld uitgeput en steekt de honger naar metafysica weer de kop op. Deze honger zal bij het volk en niet in intellectuele kringen ontstaan. Spengler haalt voorbeelden uit de antieke, Chinese en Indiase cultuur aan. Uit de tweede religiositeit vloeien ten slotte de fellahreligies voort, waarin de tegenstelling tussen grootsteedse en provinciaalse vroomheid evenals die tussen primitieve en hoge cultuur weer is verdwenen. Religie wordt ahistorisch: waar ooit enkele jaren enorme betekenis konden hebben, hebben nu honderden jaren achtereen geen betekenis meer.

§ 21

Ook het jodendom is vanaf ongeveer 1100 een fellahreligie. Van 500 voor Christus tot 0 ontwikkelen de Parsi en de joden zich van stamverbanden tot naties in magische stijl. In de vroege periode 0-500 wordt deze landloze consensus vanuit Spanje tot aan Shandong verbreid. Het was de joodse riddertijd en de bloeitijd van religieuze vormkracht: de late apocalyptiek, de Misjna en het oerchristendom. Rond 500 begint de joodse barok. De joodse consensus beweegt zich net als de Perzische, islamitische en Byzantijnse in de richting van een stedelijk en geestelijk wakker-zijn en beheerst vanaf dat moment de vormen van de stedelijke economie en wetenschap. Een hele nieuwe situatie ontstaat rond het jaar 1000 door het toeval dat het meest westelijke deel van de consensus zich plotseling in het gebied van de jonge westerse cultuur bevindt. Terwijl de magische mensen al bijna fellahs waren, vormden de prefaustische mensen nog een oervolk. De jood begreep de gotische innerlijkheid, de burcht, de kathedraal niet, net zomin als de christen de superieure, bijna cynische intelligentie van het hoogontwikkelde ‘gelddenken’ begreep. Maar de jonge westerse naties waren bovendien hecht met de bodem en de idee van het vaderland verbonden, en de landloze consensus, waarvan de samenhang voor zijn leden geen doel en organisatie maar een volstrekt onbewuste, alleszins metafysische drijfveer vormde, een uitdrukking van het meest directe magische wereldgevoel, kwam hun beangstigend en volslagen onbegrijpelijk voor. Dit onbegrip is steeds het geval bij een ontmoeting tussen late en vroege cultuur.

Bij die tegenstelling komt die van het ras, die naarmate de westerse cultuur zelf de civilisatie nadert en het ‘leeftijdsverschil’ met zijn uitdrukking in de levenshouding en de suprematie van de intelligentie kleiner wordt, van minachting overgaat in regelrechte haat over en weer. Dit heeft echter alles te maken met verschillen in historisch besef en niets met zogenaamd biologische of andere redenen. Spengler wijst op het verschil tussen de jood die innerlijk voltooid is en honderden jaren onveranderd blijft met de westerling die elke paar generaties van top tot teen veranderd is. Alle conflicten die de jood innerlijk vreemd zijn, zoals vaderland, moedertaal en vorstenhuis, schijnen hem lastig en zinloos toe. Ook als hij hier wel voor warm probeert te lopen, is het toch voor die vorm die hem het meest aan de landloze consensus doet denken. Het gevoel dat dit wederzijdse wanbegrip onontkoombaar is, leidt tot die vreselijke haat, die diep in het bloed is gaan zitten en zich hecht aan zinnebeeldige kenmerken als ras, levenshouding, beroep, taal. Het is een haat die, elke keer dat deze situatie zich tot dusver heeft voorgedaan, beide partijen heeft verteerd, in het verderf gestort en tot bloedige excessen heeft gedreven. Dat geldt zeker ook voor de religiositeit van de faustische wereld, die zich door een vreemde metafysica (de magische) in haar midden bedreigd, gehaat, ondermijnd voelt. Met de verlichting in de achttiende eeuw wordt ook de westerse cultuur grootstedelijk en intellectueel en daarmee plotseling toegankelijk voor de intelligentsia van de consensus.

btn opener

De kosmische golfbewegingen die we ‘leven’ noemen scheiden zich in het dier in twee geslachten: iets dat dit bestaan is en iets dat het overeind houdt. Het vrouwelijke staat dichter bij het kosmische en is direct verbonden met de grote kringlopen van de natuur; het mannelijke is vrijer, dierlijker, beweeglijker, wakkerder en gespannener. De man beleeft het lot en begrijpt de causaliteit, de logica van het gewordene, volgens oorzaak en gevolg. De vrouw daarentegen is lot, is de organische logica van het worden zelf. De man schrijft geschiedenis, de vrouw is geschiedenis. De vrouw is uit op algemene regeneratie en voortplanting, de man is uit op politiek succes en strijd, en vormt de wereldgeschiedenis van de hoge culturen. In man en vrouw strijden beide soorten geschiedenis om de macht. Privé versus publiek, niets kan deze tegenstelling uit de wereld helpen. In de ideeën van familie en staat vindt deze dubbelzinnigheid de hoogste uitdrukking.

In de mannelijke geschiedenis ontstaan bezielde eenheden, die een gemeenschappelijke tact bezitten en tezamen ‘in vorm’ zijn. Alles wat in de wereldgeschiedenis tot stand is gebracht – alle oorlog, diplomatie, tactiek, strategie – stamt van dergelijke levende eenheden. De woorden voor het soort opvoeding dat ‘ras’ bij moet brengen zijn ‘tucht’ en ‘teling’. Het gaat niet om het scholen en vormen zodat men bepaalde principes verstandelijk kan beamen, maar om de discipline van een levenshouding die men heeft en naleeft. De eenheid waarin tucht het meest succesvol wordt beoefend is de stand. Standen die tucht oefenen en volmaakt geteeld worden, zijn het creatieve middelpunt van hoge culturen.

De oerstanden adel en priesterschap zijn symbolen in vlees en bloed, waarvan heel hun bestaan in verschijning, houding en denkwijze zinnebeeldige betekenis heeft. Daarbij is binnen elke cultuur de boerenstand een puur stuk natuur en groei en dus onpersoonlijk in zijn uitdrukking, terwijl adel en priesterschap het resultaat zijn van een verheven tucht of vorming en dus uitdrukking van een heel persoonlijke cultuur. Het is de stijl van deze persoonlijkheid die in het fellahdom versteent tot het type van een kaste, die vervolgens onveranderd eeuwenlang blijft bestaan.

Het boerenleven wordt vaak geromantiseerd. Programma’s als Boer zoekt vrouw en aantrekkelijke Campina-reclames spreken wat dat betreft boekdelen. Maar het leven op het platteland is lang niet zo idyllisch als we ons dat vaak voorstellen. De boer staat anno 2018 in dienst van een hysterische wereldeconomie en dient voornamelijk als voeder van de moderne stadsbewoner. Dat is een gevaar. Zoals Spengler in De ondergang van het Avondland op verschillende manieren voor het voetlicht brengt: voor een vitale samenleving is binding met de grond van levensbelang. Tim van der Meulen, Joris Peereboom en Kurt Kooiman leggen in dit artikel uit wat Spengler hiermee bedoelt. 

Spenglerlab_4.jpg

Spenglerlab *

Studenten master Filosofie van cultuur en bestuur

Lees deze bijdrage

Sebastiaan Crul en David van Overbeek, studenten van het Spenglerlab, interviewen Spengler. Over het denken in termen van geld en de financialisering van onze samenleving.

Spenglerlab_4.jpg

Spenglerlab *

Studenten master Filosofie van cultuur en bestuur

Lees deze bijdrage