Boek 2 – Hoofdstuk 3 SAMENVATTING BIJ BOEK 2 – HOOFDSTUK 3

Hoofdstuk 3: Problemen van de Arabische cultuur

btn opener

De joden zijn een ‘natie zonder land’, een consensus, en wel in een wereld louter bestaande uit naties van dezelfde aard. De Aramese wereld begon zich rond het einde van de Babylonische ballingschap in een groot aantal volken te splitsen waaronder Joden, Perzen en Chaldeeën. De eerste aankondigers van de nieuwe ziel zijn de profetische religies, die met een grandioze innerlijkheid rond 700 voor Christus ontstonden en tegen de oorspronkelijke gebruiken van het volk en zijn heersers van leer trokken. Spengler onderscheidt de wilde oud-Israëlitische religie, de Oud-Vedische religie en de Chaldeeuwse religie. De kern van deze profetische leren is al magisch: er is één ware God als principe van het goede (of die nu Jahweh, Ahura Mazda of Marduk-Bäal heet) en de andere godheden zijn machteloos of boosaardig. Met die ene God is de messiaanse hoop verbonden. In de magische grondgedachte ligt de aanname van een wereldhistorische strijd tussen goed en kwaad besloten, met de macht van het kwaad in de middenperiode en de uiteindelijke overwinning van het goede op de jongste dag.

Het joodse profetisme gaat ten tijde van de Babylonische ballingschap over in het apocalyptische. Deze apocalyptische literatuur is sterk beïnvloed door de leer van Zarathoestra, waar de joden in hun ballingschap mee in aanraking kwamen. De visioenen van de Mensenzoon, van Satan, Aartsengelen, Zeven Hemelen en het Laatste Oordeel zijn volgens Spengler Perzische versies van dit algehele wereldgevoel. Het boek Job is ook een voorbeeld van de grote bloei die de apocalyptische literatuur in het Oosten doormaakte. Dit boek noemt Spengler al islamitisch vanwege Jobs ‘overgave’ (islam) aan de ondoorgrondelijke wil van God. Waarschijnlijk begon al tijdens de ballingschap de Chaldeeuws-Perzisch-joodse sektevorming die bij het begin van de magische cultuur tot de stichting van de grote religies leidde en in de leer van Mani haar hoogtepunt vond.

Er is nog een tweede beschouwing nodig op de geschiedenis van het jodendom. Het jodendom is net als het parsisme sinds de tijd van de ballingschap uit uiterst kleine stamverbanden reusachtig gegroeid en wel door bekering en door mensen die ertoe overgingen. Dit kwam uitsluitend vanuit het oosten, vanuit Mesopotamië. Deze verbreiding van het geloof was superieur aan de enghartigheid van de joodse oergemeente die steeds nieuwe beperkingen oplegde aan ongelovigen en steeds selectiever werd. Dit betekent dat hoewel de religieuze autoriteit van het Sanhedrin in Jeruzalem door niemand werd betwist, de Resch Galuta in politiek en historisch opzicht een heel ander soort macht vormde. De verwoesting van Jeruzalem trof slechts een miniem deel van de natie, en bovendien het zowel in politiek als geestelijk opzicht veruit onbelangrijkste deel. Spengler kritiseert het idee dat het joodse volk zijn ongeluk als verlies van het vaderland ervoer. De herovering was namelijk goed mogelijk geweest, maar is nooit gepoogd en gebeurd, omdat dit in strijd was met het magische nationale gevoel. Het is volgens Spengler niet waar dat het joodse volk sindsdien ‘in de diaspora’ leeft, het leefde al honderden jaren in een vorm die aan geen land gebonden was, en dat gold niet alleen voor hen maar tevens voor het Perzische en voor andere volken. De ideale vorm van de natie was de ‘synagoge’, de zuivere consensus, net als de oerkatholieke ‘zichtbare kerk’ en net als de islam; en juist zij is door de vernietiging van Judea en de daar geldende stamgeest pas helemaal verwerkelijkt.

Er bestonden ten tijde van Jezus in Jeruzalem drie stromingen die men als algemeen Aramees mag beschouwen: de farizeeën, de sadduceeën en de essenen. De eerste gezindheid komt het zuiverst tevoorschijn in het judaïsme, de tweede bij de Chaldeeërs en de derde in het hellenisme. De apocalyptiek is in veel opzichten psychisch gemeengoed in heel de Aramese wereld. Maar ook aan de apocalyptiek, een uitdrukkingsvorm van een stadloze en stadsvijandige mensheid, komt binnen de synagoge heel snel een eind.

§ 6

Het onvergelijkelijke element waarmee het jonge christendom zich boven alle religies van deze rijke vroege periode verheft, is de figuur van Jezus. Van filosofie is hier geen sprake. Jezus’ uitspraken zijn die van een kind te midden van een vreemde, late en zieke wereld. Niets geen maatschappelijke beschouwingen, geen problemen, geen gepieker. Uit de woorden en verhalen die overal in de kleine gemeenten de ronde deden werd door getuigen een innerlijke levensschets samengesteld: het evangelie. Een enorme opwinding, zoals de Germaanse wereld die rond het jaar 1000 leerde kennen, trok destijds door heel het Aramese land. De magische ziel was ontwaakt op het platteland buiten de antieke geciviliseerde steden.

Hoezeer men in de vreemde steden ook bezig was de doctrinaire verschillen begripsmatig vast te leggen, hier bij het volk bestond bijna alleen een algemene magische religiositeit. Men dacht, men leefde enkel nog in apocalyptische beelden. Het Laatste Oordeel was in aantocht. Men verwachtte het. Men wist dat ‘hij’ over wie alle openbaringen spraken nú moest verschijnen. Jezus is zelf doordrongen van het apocalyptische beeld en een stedeloze mens. Wanneer hij aan zijn missie begint, stuit hij voor het eerst op de harde werkelijkheid van de Romeinse staat en het farizeïsme. Toen Jezus voor Pilatus werd geleid kwamen de wereld van de feiten en die van de waarheden onverhoeds en onverzoenlijk tegenover elkaar te staan, en daarmee bestaan en wakker-zijn. In de beroemde vraag van de procurator: ‘Wat is waarheid’ ligt heel de zin van de geschiedenis, het feit dat alleen de daad telt, het aanzien van de staat, van de oorlog, van het bloed, de hele almacht van het succes en van de trots op een grote lotsbestemming. Mijn rijk is niet van deze wereld – dat is het finale woord, waarop niets valt af te dingen en waaraan iedereen moet afmeten waarvoor geboorte en natuur hem hebben bestemd. Religie is metafysica, niets anders. In Jezus treffen we het tegendeel aan van de gekende, bewezen, humane, sociaalgeoriënteerde, laatstedelijke religie: schik je naar de machten van de feitelijke wereld, duldt, lijdt en vraag niet of ze rechtvaardig zijn, belangrijk is alleen het heil van de ziel.

btn opener

Met de opstanding van Jezus was de verwachting van heel de apocalyptiek aan het begin van de magische cultuur uitgekomen. In plaats van het angstige en onzekere wachten op de toekomst, ervaart men nu de bevrijdende zekerheid van de verlossing. In Jeruzalem verwachtte men de Messias van de oude heilige boeken, die alleen voor het uitverkoren joodse volk in de toenmalige zin van een tribale gemeenschap zou komen. Heel de rest van het Aramese land verwachtte echter de verlosser van de wereld. In dit laatste geval impliceerde de idee van de magische, op consensus berustende natie dat met de opstanding de volle en definitieve waarheid en met de consensus daarover dus de grondslag gegeven was voor de ware natie, die zich vervolgens moest uitbreiden tot ze alle oudere en naar haar idee onvolmaakte naties in zich had opgenomen: men begon te verkondigen.

Paulus, de eerste grote persoonlijkheid in de nieuwe beweging, die ook oog had voor feiten, hakte de knoop door dat de zending zich op het Westen zou richten. Hij richtte zich op de vele kleine cultusgemeenten en smeedde die tot één kerk die zijn stempel droeg. Na veertien jaar ging hij ook naar het oosten om de oude discipelen van Jezus ervan te overtuigen dat zíjn schepping de ware leer bevatte. Met Paulus verschijnt de stadsmens en daarmee de ‘intelligentie’ in deze kringen. Door hem wordt het leven van Christus het middelpunt van de vormwil van de pseudomorfose en wordt zijn levende beeld vervangen door een schoolsysteem.

Paulus erkende het judaïsme, maar enkel als voorgeschiedenis. Als gevolg daarvan bestonden er voortaan twee magische religies (jodendom en christendom) met dezelfde heilige schrift, namelijk het Oude Testament. Uit de naaste omgeving van Paulus kwam ook de tweede schepping die bepalend is geworden voor de vorm die de nieuwe kerk heeft aangenomen, het evangelie van Marcus. Niet de woorden van Jezus maar de leer over hem in paulinische gedaante vormt de stof. Er wordt een kindheidsverhaal over Jezus gevormd en er verrees in het gebied van de pseudomorfose, naast Jezus als de Zoon en ver boven hem uit, de gestalte op van de godsmoeder, de moeder Gods, eveneens een eenvoudig menselijk lot, zo aangrijpend dat het al die duizend-en-één maagden en moeders van het syncretisme – Isis, Tanit, Cybele, Demeter – en alle mysteriën van geboorte en lijden in de schaduw stelde en uiteindelijk in zich opnam. Deze zal later het middelpunt vormen van de faustische cultuur en het Germaans-katholieke christendom. Het is ook door Paulus en Marcus dat het Grieks de taal werd van de kerk en haar heilige geschriften. Daarmee werd de Jezuskerk van haar psychische oorsprong losgesneden en met dingen van vreemde, geleerde origine verbonden. De veel oorspronkelijker Aramese literatuur van het Oosten, geschreven en bedacht in de taal van Jezus en zijn discipelen, was daarmee van medewerking aan de kerk afgesneden.

In tegenstelling tot Paulus verklaart Marcion dat het Oude Testament overwonnen is en moet worden afgeschaft. Bij deze nieuwe leer hoort ook een nieuw heilig schrift. Marcion plaatst tegenover het ‘duivelse boek’ van de Joden de bijbel van de verlossersgod. Daarmee werd Marcion de eigenlijke schepper van het Nieuwe Testament. Hoewel Marcion er uiteindelijk niet in slaagt een duurzame Verlosserskerk te stichten is hij toch enorm belangrijk voor de stichting van de vroege katholieke kerk, die uit noodweer tegen de kerk van Marcion is ontstaan. Met het Nieuwe Testament is de apocalyptiek ten einde en begint de mystiek. Het Johannesevangelie, waarin de God als drie-eenheid verschijnt, bevat voor het eerst het magische probleem van de substantie, dat de volgende eeuwen volledig beheerst en uiteindelijk tot het uiteenvallen van de religie in drie kerken heeft geleid.

Het boerenleven wordt vaak geromantiseerd. Programma’s als Boer zoekt vrouw en aantrekkelijke Campina-reclames spreken wat dat betreft boekdelen. Maar het leven op het platteland is lang niet zo idyllisch als we ons dat vaak voorstellen. De boer staat anno 2018 in dienst van een hysterische wereldeconomie en dient voornamelijk als voeder van de moderne stadsbewoner. Dat is een gevaar. Zoals Spengler in De ondergang van het Avondland op verschillende manieren voor het voetlicht brengt: voor een vitale samenleving is binding met de grond van levensbelang. Tim van der Meulen, Joris Peereboom en Kurt Kooiman leggen in dit artikel uit wat Spengler hiermee bedoelt. 

Spenglerlab_4.jpg

Spenglerlab *

Studenten master Filosofie van cultuur en bestuur

Lees deze bijdrage

Sebastiaan Crul en David van Overbeek, studenten van het Spenglerlab, interviewen Spengler. Over het denken in termen van geld en de financialisering van onze samenleving.

Spenglerlab_4.jpg

Spenglerlab *

Studenten master Filosofie van cultuur en bestuur

Lees deze bijdrage