Boek 1 – Hoofdstuk 2 SAMENVATTING BIJ BOEK 1 – HOOFDSTUK 2

Hoofdstuk 2: Het probleem van de wereldgeschiedenis

btn opener De idee van het lot maakt ook het probleem van de tijd toegankelijk. Geen enkele systeemdenker (inclusief Kant) heeft dit probleem begrepen, omdat ze de gerichtheid van de tijd niet zagen. Al het leven (richting, wil, driften) heeft een ten diepste met het verlangen verwante bewogenheid. Verder is het ondeelbaar, onomkeerbaar, eenmalig, onherhaalbaar en mechanisch gezien onvoorspelbaar: ‘dat hoort allemaal tot de essentie van het lot’. In tegenstelling tot ruimte, is tijd geen begrip, het...

§ 11

‘De tijd is een tegenbegrip van de ruimte.’ Elke vorm van begrijpen is afhankelijk van het ontstaan van een nieuw begrip als tegenpool van een bestaand begrip, elk begrijpen hangt af van begripstegenstellingen. Vanuit het begrip ruimte is geprobeerd de tegenhanger ‘tijd’ te creëeren (Kants Kritik der Reinen Vernunft is hier een voorbeeld van). Een dergelijke constructie faalt echter. Net als ieder ruimtebegrip verschilt per cultuur, verschilt ook het daaruit afgeleide tijdsbegrip. Ons...
btn opener Elke cultuur heeft noodzakelijk haar eigen lotsbesef. Het lotsbesef van de antieken noemt Spengler euclidisch. Om dit te verduidelijken bespreekt Spengler het verschil tussen antieke tragedies en westerse. In de antieke tragedie is het het fysieke ‘lijf’ (soma – de lichamelijkheid die ook in de antieke getalsidee dominant was) van Oedipus dat getroffen wordt. Het faustische lot, zoals blijkt uit Shakespeares King Lear, berust daarentegen op duistere innerlijke verbanden. Lear is niet een...